BROKKENHUIS VOOR IEDEREEN?
Gerda Vorello bracht den avond bij Barrèl door. Ze praatten zacht met elkaar, over Milders en het Nieuwe Leven dat hun allen wachtte, na het verblijf in ’t Brokkenhuis.
— Ik blijf vannacht hier, zei ze, na een korte stilte, ’t Is geloof ik lang geleden dat wij samen waren.
— Ja, antwoordde hij zacht, het schijnt wel lang geleden, maar het kan hoogstens een paar weken zijn. Ik slaap meestentijds alleen.
— Ik ook, tot de eenzaamheid mij bezwaart.
Soms voel ik me wel sterk aangetrokken tot Freddy. Maar den eenen keer dat hij bij me was, liep hij boos weg, omdat ik opeens hardop begon te lachen.
— Was-ie zoo belachelijk? vroeg Barrèl, geamuseerd.
— Misschien. Ik dacht plotseling aan mijn eerste liefde.
Ik was toen pas acht jaar en hij was officier. Of misschien
tramconducteur, politie-inspecteur of brandmeester, maar zóóiets was-ie. Hij droeg uniform met glimmende knoopen en een strak gespannen pantalon.
Drie maal per week ging hij in den ochtend ons huis voorbij, maar wijl hij altijd den overkant hield, kon ik zijn gezicht niet onderscheiden. Ik was dan ook uitsluitend verliefd op zijn nauw-omspannen beenen.
Nog jaren nadat we verhuisd waren kon ik voor geen anderen man zóóveel voelen, omdat de vergelijking der beenen altijd in het voordeel van mijn luitenantje uitviel. Of van mijn tramconducteur, al naar je hem noemen wilt.
— Dus ’t was Freddy’s pantalon, die je oud liefdegevoel weer had opgewekt, schertste Barrèl.
— Misschien. Maar daarom lachte ik niet. Wel om den inval, dat er tienduizend meisjes rondloopen met smachtend
304