Er Is, en er is een Menschheid. Tusschen beide in staan de Kunstenaars als Middelaars. Wat de kunstenaar te geven heeft ontving hij van Het; niet voor één, maar voor allen. Zijn gave is geen bezit, maar inhoud van zijn opdracht.
— Dus trots en niettegenstaande alles, geen geluk en geen voldoening voor den Middelaar?
— Duizendvoudige voldoening, onbegrensd en oneindig geluk voor hem. Want, geven is geluk-uitstralen en zich in de weerkaatsing verwarmen. Aan velen geven, is het geluk van den enkeling in veelvoud ervaren.
Maar waarom is dan altijd de kunstenaarsziel een afgrond van smart, een hel van wanhoop?
— Omdat de ware gever nooit zooveel zon ontvangt, als hij zou willen uitstralen.
303