gematerialiseerd in den oogenglans en de heupwieging van een jonge vrouw....
Deze woorden voelde Barrèl door zich gaan, maar toch was het niet le Grand’s stem die ze sprak. En zelfs zag hij niet zijn persoon, noch de vrienden der eerste klasse.
Zij waren er dus niet meer. Misschien ook wel, doch buiten zijn gezichtskring. Want hij stond temidden van duizenden vreemden, in luchtige, nooit geziene, fantastisch gekleurde gewaden en voelde zich tusschen hen als een indringer. Mogelijk waren zijn vrienden dicht bij hem, doch even als hij verward geraakt in het menschengewoel.
De vreemden lachten en praatten, ook tegen hem en hij lachte en praatte terug, zonder zich te verbazen dat hij hun taal verstond. En toen hij zijn eigen kleeren wilde vergelijken met die der vreemden, bleek hem dat hij eender gekleed was als zij.
Nu hoorde hij muziek, niet voortgebracht door instrumenten, doch als een duizendvoudige, gezongen gedachte, als de uiting van ontelbare, heterogene tegelijk-gedachte geluksklan-ken. En nu was het ook, als ontwikkelde die wonderbare muziek de stem, welke zooeven gesproken had en nu weer aanving.
Zóó sterk had de zang van den Gouden Weemoed hem bevangen, dat hij in de eerste jonge vrouw, welke hem daarna voorbij ging, de bevestiging dier inspiratie meende te zien. En zóó machtig was zijn verlangen, in die verwachting niet te worden teleurgesteld, dat het haar suggereerde tot de erkentenis, dat zij inderdaad dat voor hem verpersoonlijkte, waarnaar sinds honderde eeuwen de Gouden Weemoed had geschreid, in alle menschengemoederen... .
Barrèl luisterde naar de stem en zag in de oogen der velen,
298