mij peinzen en verlangen en in den slaap spreekt het mij aan als een bekende. Dan ontwaak ik en voel me gelukkig, omdat het me zoo nabij is geweest en dan is het toch of ik moet schreien, omdat het niets is en ik eigenlijk hunker naar de weerkaatsing van eigen, onbegrepen verlangen.
Le Grand, zei hij opeens luider, jij weet alles, jij kan het zeggen. Is het, of is het niet. Droom is leven nietwaar en leven is droom. Welnu, het leeft in mijn droom; is het dus?
Is er dan nog iets wat ik niet ken? Is het een mensch, man, vrouw of dubbelwezen? Is het bezit of overgave, smart of geluk?
— Noem het de Gouden Weemoed, zei le Grand. De smart om het geluk, om het ö/-verkregene, om het gemis der kans op méér of hóóger. De stille drang die naar hoogte reikend doet dalen en uit de diepte doet rijzen naar 'het licht.
— Wat is het dus?
— Het is niets en daarom alles. Luister....
Er was een. .. . begon le Grand na kort zwijgen, met droo-merige stem.
Nu verdween de hei en drong plots door nevelen de weerkaatsing van een plein, van groote afmetingen. In het midden schoot rank, uit een anjelieren-heuvel, een marmeren monument op. In de ijle hoogte verdunde het tot een naald en toch droeg de punt een dubbelbeeld van man en vrouw.
Hun beider oogen keken in extaze omhoog, maar hun gelaatstrekken en de verwrongen handen weergaven angst, walging en ontzetting. Ketenen van dikke, vergulde schakels snoerden die lichamen tot één massa.
Er was eens een man wien de Gouden Weemoed had voorgezongen, dat het Onbegrepene en Onbereikbare zich had
297