Ze zouden elkaar missen en zich vreemd voelen tusschen de menschen der oude wereld. Deze toch zouden hen niet begrijpen, hen uit overgeleverde huichelarij gaan mijden en wellicht minachten.
Dan zou de eenzaamheid komen; want slechts zelden zou het toeval hun een vriend doen ontmoeten die, denkend, wetend en levend als zij en de wereld ziend als een ontbindend schijn-complex, de omhulsels negeerde en naakt dorst zijn.
Le Grand raadde hun gedachten en luider werd zijn stem tegen Laura, om tegelijk voor allen verstaanbaar te zijn. En zij zweeg, om hem aan allen te geven.
— We zijn nóóit eenzaam, zelfs al zijn we alleen, zei hij. Ons wezen, onze levensbeschouwing en onze daden stralen liefde voor de Menschheid uit en dat zou immers niet kunnen als zij ons vreemd en onverschillig was. als wij eenzaam tegenover haar stonden.
— Zal de Menschheid ons liefde terug geven? vroeg Mil-ders, zacht, in weemoedstwijfel.
— De Menschheid die wij al liefhebbend willen scheppen en al scheppend liefhebben ,is een andere dan die ons ziet. Déze is de som der minderwaardigheden van den mensch-individu die, uit haat voor den individueelen mensch, zich ver-eenigt onder de valsche leus, samenleving. Als de mensch-indi-vidu ons al haat, hoe sterk moet dan niet de verveelvoudiging zijner minderwaardigheden, welke men Menschheid noemt, tegen ons zijn?
— Wat is de instinctieve oorzaak van zijn haat? vroeg Barrèl.
— Angst.
— Angst? Voor wien en voor wat? viel Milders in.
— Angst voor alles, vooral voor de naaktheid. En de Nieuwe Mensch noodzaakt den oude te erkennen dat hij is kleeren,
294