DE DROOM VAN DEN GOUDEN WEEMOED.
Nu lagen ze op de hei en hun handen raakten elkaar. En al de vrienden der eerste klasse waren daar, lagen te rooken of zaten in rieten stoelen en praatten met elkaar.
Achter hen, in de nabije verte, lijnde de witte zijmuur van ’t Brokkenhuis naar omhoog. Maar het stond te ver af om hun stemming van geurenden lente-namiddag te kunnen bezoedelen door kreten en gebaren der tweede en derde klasse.
Milders zat naast Rosa Wittewyn en praatte met haar. Het was nu, als had ze de opgewondenheid van haar fanatisme teruggedrongen en gaf ze zich willig over aan de blije wijsheid van hun aller vriend.
Le Grand hield zich bezig met Laura Hoelsum, maar haar aandacht was niet bij het gesprek. Ze keek om zich heen, naar Barrèl, Wonnie en Gerda, die nu weer met elkaar fluisterden en naar Roosbergen die, handen op den rug, heen en weer wandelde en voor zich heen prevelde. Soms ook ving ze den blik op van Bill Bartens, die deed alsof hij naar Van Gesteren’s scherts luisterde, doch er ditmaal niet om lachte.
Bijwijlen keken ze allen elkaar aan en tegelijk naar Milders; dan voelden ze hun oogen vochtig worden, bij het bespeuren van den weemoedsglans welke aller gezicht droefgeestig verdofte.
Het was de laatste middag, dat Milders mèt en bij hen zou zijn. Den anderen dag, om twaalf uur, zou hij ’t Brokkenhuis voor altijd verlaten en een patiënt uit de tweede klasse zijn plaats innemen. Korten tijd later zou een tweede vriend hun vaarwel zeggen en na hem of haar een derde. Zoo zouden ze spoedig na elkaar de, hun oud geworden, wereld weer ingaan, met hun nieuwe begrippen en geheel veranderde levensbeschouwing.
293