in den tempel zijn levenswerk te scheppen, doch meestal daalde hij weer, vóór de helft van den weg was afgelegd. Een enkeling steeg hooger, bleef in het gezicht van den tempel zitten en maakte daar zijn werk, dat de Menschheid evenwel weinig gaf. En één keer heeft een dichter, in de nabijheid zijn epos scheppend, het leven verlaten, zonder meer dan een fragment na te laten.
Niet één betrad den tempel, om zijn leven voor de onsterfelijkheid te geven.
— Een sprook, een mooie sprook, zei Wonnie, in extaze.
— Een droom, zei Barrèl.
— Nee.... nee.... geloof dat niet, zei Gerda zacht. Hoewel, den anderen dag vroeg ik er Bill naar en toen ontkende hij, met mij in een tempel en een troonzaal te zijn geweest.
— Droomen wij nu óók? vroeg Wonnie.
Ze grepen eikaars handen.
292