dat zich alleen liet uiten, hoog boven de aarde en ver van de menschen.
— En.... ? vroeg Barrèl fluisterend.
— Toen het huis klaar was en elke werker en elk overblijfsel van materiaal was verdwenen, kwam de dichter er in en ■woonde er. Hij kwam alleen, doch stil volgden hem eenige vrienden en vriendinnen, om voor hem te zorgen, zonder dat hij hun aanwezigheid bemerkte.
Hij werkte er, bijna dag aan dag, vier volle weken. Soms liep hij uren, soms een dag de groote hal op en neer, om de verzen te hoor en en te zeggen, welke hij ontving. Na-zeg-gend en hèr-zeggend, schreef hij ze dan eindelijk op.
Dat leefde hij vier weken lang.
— En toen? vroeg Wonnie, met bevende stem.
— Toen kwam er een dag en een uur dat zijn vrienden hem niet meer hoorden loopen of praten en ze zijn eten vonden, waar ze het hadden klaargezet.
Ze werden ongerust en zochten naar hem in alle zalen, maar vonden hem niet. Toen overwonnen ze hun beschroomdheid en gingen den tempel binnen.
Daar zagen ze hem zitten, tegen een pilaar en zijn hoofd rustte in zijn handen. Ze raakten hem aan en hij voelde koud en stijf aan.
— Dood! riepen Barrèl en Wonnie tegelijk, ontroerd.
— Ja. Zijn werk was af. Hij had zijn gansche geest en ziel, zijn liefde en energie er aan gegeven en er in gelegd. Toen het af was, kon hij niet meer leven.
— Vertelde Bill dat?
— Ja, toen we den berg weer afdaalden. Nu staat de tempel leeg in afwachting van een nieuwen, grooten dichter. Al vele, lange jaren.
Dikwijls heeft er een den berg gedeeltelijk beklommen, om
291