tingen. Ze werden paviljoenen met wanden van wingerd, met kozijnen van takken en jonge boomen.
Nog steeds groeide de tuin aan. En, toen Barrèl zich omkeerde zag hij le Grand en zijn hoorders nog slechts van zeer verre, als kleine stipjes op wijde grintvlakte. Zóó klein zag hij ze, dat hij er aan twijfelde óf ze het waren.
Hij zweeg nog steeds en ook zijn gezellinnen zwegen.
Maar hij en zij voelden de behoefte naar onderling contact en zochten dat, door elkaar met begrijpen in den blik aan te zien.
— Lous, zei Wonnie plots, de tuin is immers grooter dan vroeger. En anders, ruimer, mooier, prettiger.
— Wat is de hemel nu blauw en helder, zei Gerda peinzend, en de lucht is zoo frisch en zoo geurend.
Dit is een andere tuin, hij lijkt, hij lijkt....
Ze zweeg en keek in de diepte, droomend.
— Waarom zwijg je nu ineens, Gerda? vroeg Barrèl zacht. Wat wou je zeggen, waaraan herinnert de tuin je?
— Ik geloof. ... zei Wonnie, in weifeling.
— Ben jij óók in het bosch van het Nieuwe Huis geweest, Gerda? vroeg Barrèl. Heb je de spelende kinderen gezien?
Gerda zag hem aan, stille wijsheid in de groote vraagoogen. Ze knikte bevestigend.
— Ik dacht dat het een droom was, zei ze dan. Sinds ik in de eerste klasse ben, weet ik meestal niet of ik leef of droom en als ik le Grand een verklaring vraag. . . .
— Dan zegt-ie dat er geen grens is tusschen droom en leven, en geen overgang van het leven naar den droom, viel Wonnie iets levendiger uit. Ik heb een huis gezien, zoo groot als een stad, waarin honderden menschen tezamen wonen als één gezin.
— Ik óók, fluisterde Barrèl.
— En ik heb met Bill Bartens een berg beklommen en met
289
19