— Ja, wat dan, namen noemen! riep Roosbergen geërgerd, in den waan dat zij zich om hem vroolijk maakten.
— Wat dan, wat dan, wat dan. ...! Zeg het ons Milders, smeekten nu stemmen tegelijk.
— Wie weet het, vrienden, wie wéét dat. En, als we het wisten,. . . . zouden we er dan nog wel naar verlangen?
— Maar waarom plaats jij iets wat je niet kent en zelfs niet bij benadering kan definieeren, als grootste bezwaar tegen de verwezenlijking van mijn idealen? vroeg Rosa.
— Omdat het door zijn subtiele, abstracte individualiteit den mensch van den mensch scheidt en de menschen weder -keerig vreemdelingen maakt, jegens elkaar.
— Omdat het den mensch maakt tot een wereldbol van smarten en emoties, waarin dezelfde kracht tegelijk bevrucht, en bevrucht wordt, verwekt en baart; tot een bol, welke wel wentelt, tuimelt en zweeft in dezelfde ruimte als milliarden andere bollen, doch met die, zoomin als die met hem iets gemeen hebben.
— De mensch een wereldbol? vroeg Bill Bartens verbluft. Hoevele Atlassen moeten er dan wel zijn, om al die bollen te torsen ?
— Dat is de eeuwige tragedie, jongen, zei le Grand weemoedig. Iedere bol is zijn eigen Atlas, kan dat niet zijn en moet het toch.
286