— Ja jij. Vertel me nu eens, welke individueele bezwaren van groote waarde zijn er hier nu tegen het materialisme uitgesproken? Al wat onze vrienden vragen van het Leven en van het Geluk is materieel.
Welnu, is er niet materie genoeg? Zou, indien de wereld één commune was, er zelfs maar één ontevredene hoeven rond te loopen?
Wat vragen ze? Kleeren, frissche lucht, mannen, vrouwen, eten, kinderen, machines. . . . ? Méér productie, korter arbeidsduur. .. .
Is daar iéts bij, dat buiten het kader van het Communisme valt? Nee, immers. Is dat dus niet de eenige toovenaar, de eenige goddelijke macht die alles kan en alles kan geven? Zelfs het Geluk. Ja — juist het Geluk.
Zeg op, pessimist.
— En het andere, Rosa? vroeg Milders nu.
— Wat andere?
— Dat andere wat geen hunner kan zeggen of beelden, zelfs niet vaag aanduiden. Dat geheimzinnige, dat altijd onbe-grepene. Dat wat in ons opkomt in onze mooiste oogenblik-ken, of eigenlijk dat wat onze mooie oogenblikken maakt. Dat wat in ons fluistert, spreekt, bruist en buldert, tot we ons groot en machtig voelen, terwijl we onszelven maar hoeven te bezien om te weten hoe klein en arm we zijn.
Dat knagende, dat vragende, verlangende, eischende in ons.... Kan het Communisme ons dat geven, ons daarin voldoen?
— Maar wat dan? zei Rosa weifelend. Het Communisme ....
— Maar wat dan, wat dan! riepen allen. Wat, wat is het dan?
285