Het Geluk is verstandiger dan de menschen. Het heeft zich nóóit om ons bekommerd en ons leven zou vrij wat rustiger zijn geweest als wij Het ook altijd hadden links laten liggen.
Weest dus verstandiger dan het Geluk.
Er is een Aarde, er zijn menschen. De Aarde, krachtens haar aard, heeft tot op vandaag de menschen bezeten en be-heerscht en dat maakte hen altijd roerig, ontevreden en bijge-loovig. Keer de zaak dus om. Laat de mensch de Aarde onderwerpen en het geheim van het Geluk is opgelost.
— Je reinste communisme! riep Rosa triomphantelijk. De Aarde wetenschappelijk onderworpen aan de Menschheid en beheerd door allen terwille van allen. Dat bedoel ik immers, Roos!
— Wel verdorie, wel hier en daar! schreeuwde Roosbergen met kracht, na met handgebaar gepoogd te hebben haar tot bedaren te brengen, men kan geen woord zeggen of jij schreeuwt „Communisme” er tegen in.
Ik bedoel, wendde hij zich tot de anderen, dat we door de Aarde nog méér dan ooit te bestudeeren en haar krachten te doorgronden, de productie-winning kunnen vergemakkelijken en den arbeid vereenvoudigen en grootendeels opheffen.
— De maaiers, de koepelstad! riep Barrèl ontroerd, Roosbergen aanziend.
— Wel hier en daar! schreeuwde de geleerde verstoord, nou slaat ’t diè weer naar zijn bol. Kletsen jullie maar.
— Toch waren zijn woorden de overtuigendste argumenten voor het Communisme, fluisterde Rosa, omzichtig loerend naar Roosbergen.
— Ik zie er niets dan practisch materialisme in. Wil jij dat Communisme noemen, mij best, zei Milders.
— Maar op wat anders wil jij het grondvesten?
— Ik? wees hij beslist af. Moet ik iets grondvesten?
284