Ik zou moeder willen zijn vóór vele kinderen, zonder zelf er één te hebben gebaard. Ja, mij dunkt, dat de echte moeder, zooals ik haar zie, niét moet baren, öm zonder voorkeur, objectief en toch subjectief haar vele kinderen te kunnen zien als broers en zusters van elkaar.
— Dat verlangen lijkt mij communistischer dan ik ooit uit Rosa’s mond heb gehoord. Wat zeg jij, le Grand?
De directeur was een oogenblik tevoren op zijn stille wijze binnen gekomen.
— Bella’s Geluk dunkt mij een zeer bizondere gemeen-schapsdaad, ja, gemeenschaps-weldaad, zei hij.
— Ik zou willen leven tusschen en met honderden, ja duizenden kinderen, zei Bella extatisch. Met ze praten, zingen, wandelen. En ze uitsluitend onderwijzen met sproken: sproken in vormen en kleuren, sproken van gebeurtenissen en daden.
Ikzelf zou de sproken willen dichten. En, ik zou ze mijn kinderen vertellen, zóó suggestief, dat hun luisteren één werd met mijn geluid.
Dan, zoo levend met mijn kinderen, zou er iets in me groeien en rijpen, langzaam, langzaam, maar iets grootsch, iets niet te benaderen met gedachten, nog minder met woorden.
Ik geloof dat ik een lied bedoel, zei ze al zachter. Neen, toch niet een lied, maar een droom.
Soms, soms, fluisterde ze, is het mij alsóf ik het benader, alsof ik er in ben. ... ik het ben, ikzelf. .. .
— Kinderen, zei de besluierde stem van Roosbergen, kinderen baren, kinderen opleiden, heeft niets met Geluk te maken. Allemaal passiviteit; passieve daad, passieve wetenschap.
Maar wat bazelen jullie toch eigenlijk óver Geluk, zei hij dan luider, wezenlijker. Niets, niets heeft ooit ter wereld iets met Geluk te maken gehad.
283