— Zeg eens! riep Bill Bartens luid en scheurde daardoor ruw de atmospheer, door Milders’ woorden geweven, jij had dominee moeten worden.
Ik geef niets om Communisme... . nou ja, ik bedoel er niets persoonlijks mee, zei hij bedeesd tegen Rosa, wijl ze hem, geraakt, aankeek. Ik wil alleen maar zeggen dat ik er niets voor voel allerlei vieze karweitjes op te knappen en putjesscheppers in mijn auto te zien rijden. Maar dat wat jij beweert, Milders, van voelen en tasten en verlangen lijkt me de grootste onzin.
Als je me vraagt wat een gezond mensch noodig heeft om gelukkig te zijn, dan zeg ik, een bord goed eten, een behoorlijk pak kleeren, een hap frissche lucht en wat lichaamsoefening.
Dat is geluk. Nou ja, er komt nóg een en ander bij kijken, zooals een aardig wijfje op zijn tijd, dat spreekt.
— Dan zou jouw geluk niét het mijne zijn, vriend, vielWon-nie Barzilay levendig uit. Ik wil méér hebben dan één jurk. Liefst zooveel mogelijk kleeren, kasten vol, kamers, magazijnen vol.
En, dan zou ik willen dat de menschen, dat véél menschen me zagen, me bewonderden, me mooi vonden. . . .
Nou ja, ik wil ook nog iets anders, iets héél anders weet je, iets. .. . iets. . . .
Al zachter sprekend, eindigde ze als prevelde ze in een droom.
— Zoo, zoo, zei Gerda Vorello nu, bedaard, jij bent niet eender als Bill. Ik óók niet. Bill ziet alle menschen zooals hijzelf is, maar er zijn er die van het Geluk andere dingen vragen dan eten, kleeren en wat vluchtig genot.
Dat raakt immers allemaal uitsluitend de stof. Maar onze geest, onze zin voor humor bijvoorbeeld? Ik noem de Groote Lach, de allerzuiverste en duidelijkste uiting van innerlijke
281