het uit. Wil ik je eens wat vertellen, zei ze zachter, apart tegen Milders. Verleden week heb ik het op mijn eigen houtje al eens willen probeeren. Eindelijk, toen ik na veel moeite en lieve woordjes op zijn knie zat, mijn arm om zijn hals, hield hij op met tegen te stribbelen en toen liet-ie me wel dertig maal het woord „schat” herhalen.
— Hij kon het niet vaak genoeg uit je lieven mond hooren, straalde Milders al zijn hoffelijkheid uit. Een wetenschappelijk vastgesteld symptoom van den waan genaamd „liefde”, deed hij quasie ernstig le Grand na.
— Mis. Francine draaide zijn hoofd aan beide ooren om. Eenvoudig een aanval van zijn verwenschte taalzuive-ringstheorie. Hij geloofde vast en stellig dat ik op zijn knie zat om taalles te nemen en dat ik het woord „schat” zei, zooals een ander kabeljauw of hooivork zegt, om mijn uitspraak te laten keuren.
— Hoe lang ben jij nu al in ’t Huis, meisje? vroeg haar opeens een zachte, dweepende stem.
Vlug keek ze op, in Rosa Wittewyn’s peinzende oogen.
— Zooiets als een jaar, antwoorde ze onwillig. Waarom vraagt U dat?
— Waarom, meisje? Het komt me voor dat ’t Huis jou niets heeft geleerd.
— Mij? deed Francine verbaasd. Allemachtig, wat had ik dan hier moeten leeren? ’t Is een dankie aan mijnheer le Grand waard, dat ik hier mijn gezond verstand niet heb af-geleerd.
— Je hebt niét geleerd dat scherts en vroolijkheid niet voldoende zijn om het leven waardig door te gaan. Heb je nooit die ernstige, dwingende stem in je binnenste voelen brommen, dat er hoogere en mooiere zaken, idealen zijn, waarvoor we moeten werken en leven, dan eten en gekheid maken.
— Stil laten brommen en mopperen, weerde Francine haar