deelde de vrouw, met wie hij een verbond tot samenwonen had aangegaan, dat haar kinderen andere kleeren moesten dragen en anders gevoed moesten worden, dan de kinderen der vrouwen, wier mannen zich door haar man lieten bestelen. Voor elk nieuw kind eischte ze méér matérie, zoodat haar man voortdurend nieuwe kunstgrepen moest uitdenken, om de mannen, die voor hem werkten, geraffineerder te exploiteeren en gewetenloozer te bestelen.
De mannen en vrouwen, die in de fabrieken werkten, werden door den zwaren, langdurigen arbeid lichamelijk uitgeput en geestelijk gedood. De arbeid, die zich als een zwaar blok aan hen vastlegde en wiens gewicht ze hun leven lang moesten meesleepen, noodzaakte hen steeds meer als regel, het perpetueel paringsverbond te aanvaarden en aldus een gezin te vormen, evenals in het begin het paringsverbond en het gezin de groote fabriek en den afmattenden arbeid hadden doen ontstaan. De man behoefde het gezin, omdat hij, zijn noodlot dragend van voor anderen te werken, geen gelegenheid had zijn eigen kleine belangen te behartigen. Door nu de vrouw de zorg voor zijn zaken en zijn persoon op te dragen, onderwierp hij zich tegelijk aan haar instinct, dat een man zoekt die voor haar wil werken. Haar zoeken bepaalde zich echter uitsluitend tot den man die ze kon doen gelooven, dat omgang met haar te verkiezen was bóven omgang met alle andere zoekende vrouwen.
Dat was de levensloop der werkers en bezitloozen. De nietsdoeners en bezitters gingen een gelijksoortig verbond aan en hielden het als instelling in stand, uit zelfbehoud. De mannen, om in eigen, intiemen kring volkomener van het gestolene te genieten en het aan in dien kring opgekweekte kinderen te kunnen overdoen; de vrouwen, om voor haar geërfd deel van het gestolene èn voor de kinderen, wie ze het wilden nalaten, een beschermer te hebben, alsook om van den man een deel van zoo