ding voelde ook benauwd aan. De dansers matigden merkbaar hun snelheid en keken om zich heen, als zoekend naar een middel tot verfrissching.
Barrèl’s tong was heet en zijn verhemelte droog. De „nieuwe vrouw”, wier lange, beenderige tak-achtige armen hem als nijptangen omklemden, moest, dacht hij, het laatst in de zaal zijn gekomen, wijl ze van dorst, warmte noch vermoeienis last scheen te hebben. Langer aaneen dan zijn vorige danseuses hield zij hem tegen haar bonkige borst aangedrukt en slierde hem zoo bij herhaling de gansche dansruimte door. Hij wist, voelde, dat hij öm het oogenblik op een voet trapte; nu eens op een bloote, dan weer op een die veilig was geborgen in een laars met puntigen lakneus. Hij poogde bijwijlen te ontdekken of iemand stil hield, om het getrapte lichaamsdeel te streelen; de „nieuwe vrouw” had echter zoo’n vaart, dat hij geen personen zag, maar een dronken warreling van bonte kleuren.
Bedienden liepen langs de wanden met presenteerbladen, waarop flesschen en glazen.
— Dorst, prevelde hij.
Plots stond zijn dame stil, als een draaimolen die tegenstroom krijgt. Ze hield hem even tegen, tot hij zijn draaisnelheid kwijt was, nam dan zijn arm en bracht hem naar een tafeltje. Er stond wijn, limonade en ijs gereed.
— Wijn? vroeg hij haar.
— Alcohol is smeerolie voor verroeste denkmachines, zei ze luchtig. Schenk maar in.
De muziek zweeg en tegelijk stopten de laatste dansers hun ommezwaai. Ze zetten zich om de tafeltjes, bij paren of in clubjes van vier. Nu rinkelden glazen en flesschen, en klepperden lepeltjes.
De honderde, van het plafond neerhangende, lampions verschemerden langzaam tot ze geheel waren gedoofd. De kris-