zijn voorhoofd in zijn hersenen en hij moest, moést opkijken, wijl pijn hem schroeide.
Hij keek. op en zag haar.
Hij zag een devoot non-meisje met gladgestreken haren en neergehouden oogwimpers, met bedeesd gesloten mondje, gebukt hoofd en ootmoedig-gevouwen handjes. De handjes zegden berusting, de gladgestreken haren en neergehouden oogwimpers prevelden overgave, het bedeesde, gesloten mondje.. . bad een gebed van hoop.
Een verzoeking dus.
Hij doorstond die tien minuten, een kwartier en at snel, om haar niet te zien en spoedig zijn trek te kunnen stillen. Maar, daar hij dien dag goeden eetlust had, was hij nog lang niet verzadigd, toen hij voelde dat hij moest vluchten. Hij holde de zaal uit en de drie terrastrappen af.
Er stond een fiets tegen den muur. Hij sprong er op en reed voort, zich naïef afvragend, of de eigenaar er spoedig om verlegen kon zijn, langs den weg welken hij in het oude koetsje had gereden, den dag van zijn aankomst.
Weldra trapte hij door de laan der oude olmen. Er liep niemand, zoover zijn oog reikte.
Thans zat géén gast op den omgevallen boom. Toen zei hem de stem der eenzaamheid, dat hij niet zoo maar een tochtje maakte, maar dat hij bezig was te scheiden van het Brokkenhuis.
’t Was vijf uur in den namiddag; het laatste licht van den voorjaarsdag lachte willig. De zon was echter te schraal. Binnen een uur zou schemering al weifelend overgaan in zwarten nacht.
Nu doortrappen naar de stad, naar het station, grinnikte Barrèl vergenoegd.
’t Was zoo licht in zijn hoofd. Niets wist hij nu van pijn,
184