krijgen zijn, om mijn beenspieren een beetje los te trappen. Zei je wat?
— Nee, wees ze lusteloos af. Ik heb jullie alle vijf vannacht twee keer op bezoek gehad en dat is misschien toch een beetje te veel. ’t Blijft immers eeuwig hetzelfde.
Weet je, lachte ze vluchtig, we hebben ons vannacht allemaal gedragen als schrokkerige armeluiskinderen op een bruiloft. Als ik mijn zin dee, sloot ik me den heelen dag op met een doos chocolaadjes ,een doos cigaretten en een boek. Maar dan niet zoo één waar je draaierig van wordt.
— Er is hier ook een collectie humoristische werken, moedigde hij haar aan. In de kleine kast links. Hoor, de klok luidt.
Een genezen patiënt verliet ’t Brokkenhuis. De zilveren torenklok juichte hem de beste wenschen van het asyl toe.
— Nou trekt d’r wéér een tusschen uit. Wat geloof jij} vroeg de Naakte Dame, als ’t een man is, zou die dan nóóit weer naar een vrouw omzien en zijn leven lang er zonder blijven ?
— Als ’t een man is, dan maakt-ie plaats voor mij, zei het Dronken Gezicht zacht. Komt precies uit. Ik ben hier de oudste en heb nèt zin in een verandering.
— Wat pruttel je nou?
— Wat vroeg je eigenlijk?
— Ik? Ja, of een genezen man van zijn leven geen vrouw meer begeeren zal.
— Géén vrouw? Ik denk juist veel meer, dan-ie ooit gehad heeft. Let maar eens op, hoe ons span te keer gaat en hier zijn ze nog pas half genezen. Nou, ajuus.
— Nog een oogenblikje.
— En....
— Wil je nog éven bij me komen?
176