stonds haar armen om zijn hals gestrengeld, om hem sentimenteel schreiend, haar geschiedenis in het oor te kweelen. Nauwelijks had ze echter een enkel woord uitgebracht, of hij sloeg met kracht zijn vlakke hand op haar mond.
— Je ziet me natuurlijk voor een stuk proleet naar den geest aan, grauwde hij haar toe. Maar eigenlijk ben ik een brok Faust. Je weet, of je moést weten, dat we in onze ouwere jaren allemaal een brok Faust worden. ...
De brandende pijn aan haar hand maakte de Naakte Dame zwak; ze liet zich zonder weerstand door Barrèl op den grond kantelen.
— Val me nu nog eens in de rede als je het hart hebt, gromde hij. Let op, ik vertel verder.
Wij praatten dagelijks uren lang over ons toekomstig leven, over de verheffing van ons wezen en over de noodzakelijkheid van het afsterven onzer lagere gedachten, gevoelens en verlangens. Als zij het over ons aanstaand huwelijk had, dan citeerde ze allerlei frasen uit een bijbeltekstenboekje van een als dominee mislukt essayist. Die kwal fungeert nog steeds als tijdschriftredacteur en leider van de letterkundige jeugd.
En ik kletste mee over ethica en geloofde bijwijlen zelfs dat ik het meende. Maar in den nacht van ons huwelijk wist ik er absoluut niets meer van en voelde me niettemin bijna gelukkig.
En toch, toen begon mijn ellende pas, waarvan het ergste was, dat zij die hel van jammer ons „geluk” noemde. Althans, in het begin. Later noemde ze ons nooit eindigend moordend twisten, de botsing tusschen mijn bestiale natuur en haar geweldigen drang naar geestelijke verheffing en volmaking.
Verbeeld je, haar drang naar geestelijke verheffing en volmaking. En, gedurende de acht maanden, dat we verloofd waren, hadden haar praatjes geen anderen invloed op me ge-
98