Maar viel dan woedend uit: Zeg eens, denkt jullie misschien dat ik er een breukbanden-fabriek opna houd? Of een bijeenkomst voor niets-doende kletsmeiers? Van Giesen, de brandspuit; blaas die breuk-gekken mijn huis uit!
Eén zijner jongere knechten had reeds bij zijn eerste bevel de slang ontrold. Niet zoozeer uit een opwelling van gehoorzaamheid, maar omdat hij, zoolang hij in de fabriek werkzaam was, er naar had verlangd de blusch-installatie te zien werken.
Nu zijn patroon het bevel gaf, duwde hij den werkbaas het spuit -stuk in de handen en draaide zelf met forschen ruk de kraan om.
Het resultaat was verrassend ; een dikke waterstraal spoot aanstonds fel tusschen Van Giesen’s handen door en kroop gedeeltelijk op hem terug. Maar, ook uit de slang zelf kroop water, eerst langzaam, doch dra sneller. Ze had jaren lang droog gelegen, waardoor er vele kleine barstjes in waren ontstaan. Onder den waterdruk gingen die spoedig open en weldra spoot de slang uit wel tien plaatsen tegelijk. Ze maakte niet alleen het publiek, maar ook de werklieden, de ingenieurs en de heeren Lobbes nat.
De kreten die nu opstegen overtroffen alle geluiden welke dien ochtend door de fabriek hadden weergalmd. En nu klonk plotseling een politiefluit er tusschen door. Agenten snelden toe, drongen door het verbolgen, nat gespoten, publiek heen, doch bleven bibberend staan. Ze geboden het spuiten te staken.
Rillend van nattigheid liep de heer Lobbes op een drafje naar zijn kantoor.
Hij draaide den electrischen haard aan.
— Hebt U nu je zin, vader? vroeg Karei verwijtend.
Hij stond in zijn overhemd ; zijn jasje hing aan de brandkast af te druipen.
Blijft U nu nog volhouden, dat U dat huis hebt gekocht?
9i