of hij zelf ook anders, vroolijker, jonger werd. En gedurende de weinige oogenblikken, dat hij het gezicht van zijn vriend bestaarde, joegen al de gebeurtenissen der laatste dagen door zijn brein en deden hem sidderen van afgrijzen.
Wat had die hypnose veel onheil veroorzaakt, dacht hij. Hijzelf was er oud, zuur en twistziek van geworden; het pleizier van zijn rustig, welgesteld bestaan was er bijna geheel door verstoord. Maar nu, zou de her-ontwaking van zijn vriend alles weer ten goede doen keeren ?
Thans openden zich mijnheer Lobbes’ oogen ; ze hadden weer de oude zachtmoedig-blauwe kleur, den glans van trouwhartigheid en menschlievendheid. Frits Waller beefde van geluk-aanvoelen.
— Herman! riep hij met ontroerde stem. Ben je wakker, jongen?
Mijnheer Lobbes blikte verbaasd in het rond, keek van Dr. Vogel
naar Waller. Een glans van verwondering, die dra overging in een warmen lach en zijn gansch gelaat verhelderde, ontlook in zijn oogen. Hij streek de hand langs het voorhoofd, als wilde hij een drukkende gedachte wegvagen.
— Frits, hoe kom ik hiér? Drommels, jongen, heb je me laten
slapen? Of hebt U dat misschien gedaan, mijnheer......?
— Dr. Georg Vogel, kwam Waller te hulp.
— Juist, Dr. Vogel. Wat ben ik toch vergeetachtig.
— Je hebt een tukkie gedaan, Herman, zei Frits Waller vroolijk, zich met moeite bedwingend het niet uit te jubelen van voldoening en geluk.
— Heb ik? Een beetje onbeleefd van me, hé? O ja, U zou mij mag-netiseeren, Dr. Vogel; nu herinner ik het me. En is het U gelukt? Vertel eens, wanneer ben ik nu geboren? vroeg hij met schelmschen glimlach.
— In Mei, antwoordde de magnetiseur prompt.
249