er getuige van. Karei, klaagt Kooymans al drie dagen lang over rheumatiek, ja of nee?
— Herman, wind je niet op, riep Frits Waller nu. Laat de zaak een kalm verloop hebben. Je weet zeer goed, dat Kooymans zoo gezond is als jij en ik.
— Als j ij misschien, halve gek I riep mijnheer Lobbes nu woedend. Maar ik stel me niet met hem op één lijn.
— Gek, dat ben je zelf, antwoordde Waller. Georg, spreek ik de waarheid ? Zeg hem ronduit wat-ie is.
— Gek is hij misschien niet, maar wel gehypnotiseerd.
— Wat is-ie? Herman, wat ben je? riep mevrouw Margie angstig.
De deur ging open. De heer Van Duren trad binnen.
— Professor! zei hij, eerbiedig groetend. U veroorlooft mij wel even? Herman, ik kon ze niet tegenhouden ; het heele span komt hier. Het beste is maar, dat de professor je ergens opsluit waar ze je niet kunnen vinden.
— Wie ? Wét voor een span ? vroeg de professor geamuseerd.
— Wie en wat niét, professor? Een stuk of tien deurwaarders, elk met twee handlangers, die minstens vijf gulden per dag kosten, dan de advocaat van Lobbes en dan nóg een stuk of drie van die slimme heeren; benevens een delegatie van de Vakvereeniging van Riet-bewerkers en een van den Bond van Technisch Personeel. Mijn concurrent van het Algemeen Technisch Bureau, met twee ingenieurs is er ook bij en verder de aannemer Goedertrouw met zijn onderbaas, de slager van naast Lobbes zijn fabriek en weet ik wie al meer. Zij denken allen, dat hij het land wil verlaten of zich in een gesticht laat opsluiten, om geen schadevergoeding te betalen.
Onder Van Duren’s woorden was de deur van professor Van Meekeren’s groote zaal opengegaan, doch deze keer viel ze niet meer dicht. Het eerst traden Mr. Conrad van Heesten en Mr. Brilsma
242