boeken van honderd bladzijden, elk bedrukt met honderd vierkantjes, moet ik kruisjes teekenen. Een overhoeksch kruisje in elk vierkantje. Het vorige jaar vulde ik nulletjes in.
Professor’s oogen vergrootten zich van vroolijkheid. Hij had reeds meer gehoord dat vele jonge lieden, door voorspraak aan groote instellingen geplaatst, dergelijken arbeid verrichtten, wijl ze tot geen anderen bekwaam waren, maar zich niet voorgesteld óóit een hunner te ontmoeten. De meesten der door hem onderzochte patiënten hadden eerder een te-veel aan intellect, hetwelk voor hun omgeving te lastig was.
— MaarU doet toch zeker ook iets in uw vrijen tijd, nietwaar, voor ontspanning na Uw intellectueelen arbeid? vroeg hij goedmoedig.
— Ik boks, antwoordde Leo, stralend van pleizier. Heb gisteren nog pas mijn trainer drie tanden uit zijn mond geslagen. En die twee daar, ieder met één slag, tegen den grond gemept.
Nu trad hij impulsief op Joris Jochem toe, doch thans ontweek deze hem. Oom Karei voelde instinctief naar zijn hoofd en zocht bescherming bij Dr. Veber. Professor wuifde den intellectueel kal-meerend toe.
— Maar wat hébt U eigenlijk tegen dezen detective? vroeg hij. Uzelf had immers met Uw verloofde afgesproken, dat zij hem de familie-kwestie zou opdragen?
— Inderdaad, professor, maar later hoorde ik pas, dat hij tegelijk in dienst van den heer Lobbes stond.
— En waarom sloegU hem op zijn hoofd, vóórU dat wist?
— Ja, waarom sloeg je me op mijn hoofd? vroeg oom Karei nu verontwaardigd. Dat heb ik je al den heelen dag willen vragen, maar je was in geen velden of wegen te vinden.
— Watson, opmerken, samenvatten......
— Joris Jochem, begin nou niet met die malligheid, terwijl ik met
240