— Wij waren al hierheen op weg, zei de dikke detective, met een handwuiven professor’s verontschuldiging afwerend.
— U bent immers detective, nietwaar?
— Ja! riep Joris Jochem luid. En ik schaam me niets er voor, detective te zijn. Ieder in zijn vak!
Bij dit antwoord deed hij een geduchten houw naar een denk-beeldigen vijand. Oom Karei die dit gebaar van hem reeds lang kende, sprong verschrikt opzij, naar een clubfauteuil. Daar ging hij, op een aanmoedigenden knik van Dr. Veber, meteen op zitten.
— Zet U, mijnheer Joris Jochem, noodigde professor hem uit en wees op een zetel. Deze beide heeren kentUal, nietwaar?
De detective schudde afkeurend het hoofd tegen Dr. Vogel en wierp daarna een strengen blik op Frits Waller.
— Ja, professor, antwoordde hij dan. Met dien heer Waller heb ik erg veel last gehad. Ik moest hem bedwelmen. Hij weet trouwens veel van de zaak af, vooral van het kind. In uw plaats zou ik hem binden en desnoods opnieuw bedwelmen. Ik stel mijn flesch te Uwer beschikking.
— Nu begint die hansworst warempel hier óók! riep Frits Waller verstoord.
Weer trilde het belletje.
De professor luisterde en gaf weer order tot binnen komen. Joris Jochem was bij Waller’s uitroep beleedigd opgesprongen en liep naar hem toe, de bijl in de eene en de chloroformflesch in de andere hand. Dr. Vogel sprong zijn vriend, die afwerend de handen uitstrekte, te hulp, terwijl de beide assistenten luid lachend ook naderbij traden. Een dubbele uitroep, aan de deur, deed allen het hoofd daarheen wenden.
— Frits! kreet mevrouw Lobbes, die binnen trad, verschrikt, dat is de man met de revolver. Wat wil-ie nu weer?
235