houden. Maar voor de moraliteit is het beter, dat die er op het eind aan moeten gelooven, in de feuilletons. Wat de detectives aangaat, die hun doorzicht staat gewoonlijk onder peil.
— BeschouwtUhen als krankzinnig?
— Och, ze bestaan immers niet.
— Maar, indien ze bestonden, zou U ze dan als redelijk denkende wezens aanvaarden?
— Wel, ze behooren bij die boeken ; daar denk je dus niet bij.
— Ze vormen er dus een normaal geheel mee, en daarom wiltU hen als zoodanig niet gek noemen?
— Ja-
— Waarom noemtU Joris Jochem dan wél krankzinnig?
— Dat is een potsenmaker! viel Waller verachtelijk uit.
Dr. Vogel knikte instemmend.
— Hij heeft me geboeid en op de anthraciet gesmeten. En me bedwelmd. Mijn vriend eveneens.
— Dus Joris Jochem is krankzinnig.
— Absoluut.
— En de detectives in Uw boeken?
— Die bestaan niet. Dat zijn literaire producten.
— Volkomen waar, gaf professor geestig lachend toe. Maar in die boeken arresteeren en bedwelmen zij immers óók menschen, nietwaar? Ze schieten en steken en worden in onderaardsche gewelven opgesloten als zij het niet tevoren hun tegenstanders doen. En dezen, enfin,U zei zooeven al, wat die doen. Zijn die personen dus gek?
— Ze bestaan niet, hield Waller vol. Romanfiguren, anders niet.
— Maar hun lezers dan? vroeg professor plots heel ernstig. Plaats U eens, met uw vijfjaar studie, in gedachten in een tijdperk, geheel verschillend van dit, in een waarin geen wapens worden gemaakt en niet gemoord wordt. Als iemand U dan zou vertellen, dat in ónzen
232