van schrik. Opkijkend zag hij het dienstmeisje op het balcon staan met de emmer in haar hand.
— Als je niet als de bliksem maakt, dat je weg komt, leelijke schooier, smijt ik de emmer boven op je hersens. Wat let me I
Joris Jochem gaf geen antwoord, doch wendde zich tot oom Karei, die reeds de beenen nam. Hij holde hem na, nagejouwd door de verontwaardigde Lena en verwonderd nagekeken door de buren, die haastig de deuren openden en ramen opschoven. Eerst op het eind van de straat hielden ze hun vaart in.
— Watson, hijgde hij, op-merken, sa-men-vatten,
— Allemenschen! kreet oom Karei, heb je er nou nog geen tabak van? Wat ben je nóu van plan? Gaan we eindelijk naar huis?
Joris Jochem bleef voor een pui staan en leunde er tegen, om op krachten te komen.
— Nee, antwoordde hij op beslisten toon. Nu zél die duistere zaak opgelost worden. Het hart van de samenzwering berust dus blijkbaar bij professor Van Meekeren. Voorwaarts dan, daarheen!
XXVIIWIE IS KRANKZINNIG?Professor Van Meekeren wendde zich half om naar zijn eersten assistent, Dr. Arnold Veber. Een fijne glimlach omspeelde zijn gees-tigen mond, toen hij dezen ondervraagde.
— Dus je conclusie is, dat zich bij geen der beide heeren een afwijking vertoont van dien aard, welke hen ongeschikt maakt voor het maatschappelijk leven?
224