iemand ongeloofelijk lang aan de praat houden. Je snapt zeker wel, waarheen we nu het eerst onze schreden richten, mijn wakkere speurbroeder.
— Naar Piet van Galen, om een kruien-bittertje te pakken, antwoordde oom Karei.
Joris Jochem glimlachte vergefelijk.
— Juist, Watson, dat is een geestige naam voor hem. We gaan nu eerst naar de woning van den heer Lobbes.
Oom Karei bromde en mopperde, maar zijn chef was niet van zijn voornemen af te brengen. Ze stapten op de tram, doch de detective veroorzaakte op het balcon dra zoo’n hevige woordentwist tusschen de passagiers onderling, dat de conducteur hem bij de volgende halte reeds uitnoodigde af te stappen.
— Als het weer gebeurt, laat ik je oppakken wegens dronkenschap, dreigde deze tot afscheid.
Niettemin stapte de detective nu welgemoed voort, schoon oom Karei steeds duidelijker liet merken, dat hij liever achter bleef. Toen zij het huis van den heer Lobbes naderden, bleef de oude man op een afstand staan.
— Ga jij maar eerst, Joris Jochem, ik ben niet méér dan zooveel als krullejongen in het vak en één stomp op mijn hoofd, in een week, acht ik genoeg. Als jongen heb ik er al niet goed tegen gekund.
Zijn bijl als een symbool vooruitdragend, stapte de detective nu op de deur toe en belde aan. Hij wachtte en belde nog eens. Bij den derden bel werd de balcondeur geopend en slaakte oom Karei een gil.
— Joris Jochem, verraad I Loop!
De dikke sprong terzijde ; bijna tegelijkertijd plaste een emmer krijtwater naast hem neer.
Hij had slechts enkele spatjes opgevangen, doch zijn beenen knikten
223