Joris Jochem slikte de overige woorden van zijn spreuk in en wierp zijn Watson een bestraffenden, schoon goedmoedigen, blik toe.
— Mijn waarde helper is nog niet zoo lang bij het vak, zei hij verontschuldigend tegen de huishoudster. En daarom spreekt hij soms ontijdig. Wat echter niet wegneemt, dat elk zijner woorden goud waard zou zijn, als ze op de juiste oogenblikken werden gesproken. Weet U, geachte dame, dat die achtenswaardige fabrikant zichzelve niet meer is I ?
— Als ik het niet gedacht had, antwoordde de huishoudster. De man moet natuurlijk zelf een beetje aan ’t malen zijn, anders zou hij nooit mijn goeien mijnheer van zóóiets hebben beschuldigd.
— Juist, antwoordde Joris Jochem, daarom heb ik hem gisteren de handboeien aangelegd en hem vier-en-twintig uur op water en brood gehouden, nietwaar Watson ?
— Juister gezegd, op kolen en gruis, antwoordde oom Karei.
— Zit mijnheer Lobbes in de gevangenis? vroeg de huishoudster verbaasd. En mevrouw schelde daarstraks mijn mijnheer nog op, dat zij elkaar bij professor Van Meekeren zouden ontmoeten.
— U begrijpt de zaak verkeerd, geachte mevrouw, zei de detective. Niet de heer Lobbes had ik in mijn macht, maar zijn indringer.
— Zijn indringer? vroeg de huishoudster verbaasd. Wat is dat, en wat heeft dat met mijnheer Lobbes te maken?
— Wel, dat is mijnheer Lobbes.
— En daarnet zei U, de indringer!
— Wel, dat is een en dezelfde persoon. Dat is juist het fijne, of eigenlijk, het gemeene van de zaak. De indringer verdringt den heer Lobbes en daarom verloochent die zijn jongste dochter en dat arme meisje verloochent weer den verloofde van haar zuster en dié heeft mij juist tegen de straat geslagen. Daarom nu moest ik mijnheer Waller spreken. BegrijptU nu de zaak?
221