— Aannemen heeren, twee bier 1 klonk een luide stem.
De kellner verwijderde zich. Oom Karei dronk zijn glas in één teug half leeg en moedigde zijn chef aan evenzoo te doen. Deze knikte wantrouwig in de richting van den zich verwijderenden kellner.
— Dat is een der handgrepen van ons beroep, zei hij nu, met schranderen glimlach. Ik heb den man laten merken, dat ik op verraad bedacht ben en spionnen in het oog hou. Nu hij weg is, kunnen we vertrouwelijk met elkaar praten. Wat is jou gisteren en speciaal gisteravond het sterkst opgevallen, mijn schrandere speurbroeder?
— Dat ik stink-smerig van kolengruis ben thuisgekomen en een leelijk standje opliep van tante Bet, antwoordde oom Karei wrevelig. Ieder in zijn vak, tot je dienst, maar dat je juist de vuilste hoekjes van een huis uitzoekt, om je beroep uit te oefenen, dat is, vind ik, wel een beetje al te bar.
— Goed zoo, mijn Watson, opmerken enzoovoort. Dat is een zeer belangrijke indruk. Maar wat is je dan wel ten tweede opgevallen?
— Tweedens, bromde oom Karei, heb ik me in bed al mijn botten gevoeld en was ik er verbaasd over dat ze nog heel waren. Niet om je laag neer te zetten, Joris Jochem, je hebt lef genoeg voor zoo’n kleinen kerel, maar dat die lui in den kelder je niet al je ribben gekraakt en je levend gevild hebben, daar mag je hun eeuwig dankbaar voor zijn. Je hoeft je aan mij niet te storen, maar als ik je een raad mag geven, blijf dan je leven lang uit de handen van dien ouden Lobbes en zeker uit die van dien jongen vechtersbaas. Want, verbeeld je maar niet datje ze altijd aan handen en voeten gebonden en bedwelmd langs den weg ziet loopen.
Joris Jochem hoorde met de kalmte en wijsheid, zijn vakgenooten eigen, de ongewoon lange redenatie van zijn helper aan. Toen deze eindelijk zweeg, stak hij een sigaret op en bood er ook oom Karei een aan, welke deze echter met een blik van afschuw afwees.