lange dagtaak achter den rug en verlang naar rust. Vóór we verder gaan verzoek ikU allen den rechterduim op dit stuk carton te drukken.
Hij stak een sigaret aan en boog zich daarna voorover, om den heer Lobbes het stuk carton toe te reiken. Daar drong een schelle kreet tot hem door, die hem van schrik deed terug tuimelen.
— Joris, Joris Jochem! kreet oom Karei, ze heeft me in mijn hand gebeten!
De detective krabbelde vlug overeind.
— Verraad! Verraad! joelde hij. Op! Ten strijde! Hier is Joris Jochem. Gij allen, wendde hij zich op strengen toon tot zijn gevangenen, wacht hier rustig mijn terugkomst af. Wéé U, zoo ge dit vertrek verlaat, vóór ik Uw somber geheim heb opgehelderd.
Intusschen gilde oom Karei zijn pijnkreten uit, welke eerder luider werden dan verstilden. Joris Jochem draalde niet langer, sprong bij drie treden de trap op en viel als een bom in de keuken, waar oom Karei op den grond zat te kreunen. Bij het steken van een stukje brood in Lena’s mond had zij hem in drie vingers gebeten.
— Het bloed sijpelt er uit I jammerde hij.
Joris Jochem keek hem medelijdend aan en voelde een schop tegen zijn beenen.
Het was Lena gelukt, een draaiende beweging te maken en he m dien toe te brengen.
— O, duivelin in dienstbodengedaante! kreet de detective, doch sprong daarbij weer verrast op.
De telefoon klingelde.
Alles zweeg een moment.
Joris Jochem keerde zich bij de deur om en blikte het meisje aan.
Plotseling schenen zijn woede en dwaasheid verdwenen en was hij weer de welgemanierde, behulpzame man van altijd.
190