daad haar broer had gedood, zonk op het bovenportaal bewusteloos ineen.
Die gil was de aanleiding tot een ongemeen lawaai. De gevangenen in den kolenkelder vloekten en schimpten. Karei schreeuwde en trapte en sloeg om zich heen en Joris Jochem sloeg ongenadig met de bijl op den vloer, de trap en de muren, alsof hij tegen een overmacht van vijanden vocht.
— Zoo vecht Joris Jochem, zoo sterjt Joris Jochem ! riep hij luid en trapte in vergissing op oom Karel’s hand.
— Stik, verrék, sterf dan! schreeuwde de oude man woedend.
Maar ondertusschen wikkelde hij een touw om Karel’s beenen, met
’t gevolg, dat de jonge man dra als een kikvorsch in het rond huppelde. Want hij geloofde dat Joris Jochem nu totaal gek was geworden en in ernst probeerde hem met de bijl af te maken.
Na een paar minuten huppelen was Karei Lobbes uitgeput van vermoeienis en konden Joris Jochem en oom Karei hem binden. Het razen in de kelder zakte weg tot grommen.
— Ziezoo, zei Joris Jochem, toen hij den verbaasden Karei gebonden op de anthraciet had neergelegd. Dat karweitje is gebeurd. Een politiecommissaris zou er veertien dagen mee zoek hebben gebracht en er veertig beamtben voor hebben gemobiliseerd. En ik lap ’m dat in één avond, met mijn trouwen Watson.
Nu ga ik eerst een kwartiertje uitrusten, voor we het gordijn ophalen om te zien of het een klucht of een treurspel is. Watson, steek een sigaret op en leg je wapen maar weg. Loskomen kunnen ze niet en schreeuwen mogen ze zoo hard ze willen. Dat heeft toch geen nut meer. Mannen zijn er, buiten dezen, niet in huis. En de dames slapen of zijn bewusteloos.
Een nieuwe kreet uit de keuken kwam tegen deze bewering op.
188