dat oom Karei een koude rilling langs den rug kroop. Hij had óók de stem herkend.
— Mijnheer Vogel! riep de stem nu. Waar blijftU toch?
Joris Jochem greep een oude lap en begoot haar met chloroform. Toen verdween hij snel, oom Karei achterlatend met de revolver in zijn bibberende hand.
Thans wist de detective, dat hij hoog spel speelde, maar hij had ook nog iets te vereffenen met den eigenaar van die stem. Hij maakte een grooten strik en legde dien op een der onderste treden, het eind van het touw in zijn hand houdend.
— Laat Karei maar eens gaan zien, waarom ze zoo lang weg blijven, hoorde hij Cora zeggen.
— Ik ben in een ommezientje terug, zei de stem.
Daarna draafde een zware stap de tweede trap af. Vervolgens de eerste.
Joris zat in duister met het touweind in de hand. Hij wachtte, loerde ; toén kwam het moment. Een ruk en een zwaar lichaam rolde de onderste treden af.
Met een sprong zat Joris Jochem boven op hem en drukte den chloroformdoek op Leo’s mond en neus. Deze kermde, steunde en schopte van zich af.
— Moordenaar, moordenaar! gromde het den detective tegen.
Joris Jochem beefde wel om die beschuldiging, maar bleef toch
zitten. Eerstens moordde hij niet, doch bedwelmde hij slechts. Tweedens handelde hij uitsluitend om een treurig familiegeheim op te helderen. Ten derde zou zijn man hem nu zéker voor altijd neerslaan, als hij hem de kans daartoe gaf.
De tegenstand verslapte. Na korte poos zuchtte het slachtoffer diep en bleef roerloos liggen, als een doode. Joris Jochem liet zich evenwel niet bedriegen ; dit was maar een dood van eenige uren.