— Kerel, moordenaar, hou je bek dicht of ik gil de heele stad bij elkaar! schreeuwde zijn lastgever, die wit van woede werd.
Oom Karei trad snel op hem toe en wilde een vuile lap in zijn mond duwen, doch zijn chef hield hem tegen, met een waardige handbeweging. Een blijde glimlach trok over Joris Jochem’s gelaat en zijn geheele houding, ten opzichte van den heer Lobbes, veranderde.
— Geachte principaal, sprak hij hem op beleefden toon toe, ik wenschU van harte geluk met dit voorloopig resultaat.
Beter één gebonden vijand in den kolenkelder, dan tien valsche vrienden in de huiskamer. Mijn list is gelukt, want déze is althans onschadelijk. Ik hoop, datU nu de waarde van mijn oogknippen inziet.
Deze zonderlinge taal bevreemdde den heer Lobbes zoozeer, dat zijn woede grootendeels wegzakte. En de veronderstelling dwarrelde door zijn brein, dat ook de detective moest zijn aangetast door die noodlottige, besmettelijke krankzinnigheid. Indien dét de oorzaak van zijn vermetelheid was, dan moest hij dien gek zoolang ontzien, tot hij weer vrijheid van handelen had. En, zich in schijn voordoen alsof hij zijn optreden goed vond. Hij immers had nu zijn leven in handen. Eenmaal weer vrij, zou hij dien gek zijn onbeschaamdheid betaald zetten en hem aan professor Van Meekeren overleveren, al moest hij hem naar diens woning sleuren.
Joris Jochem meende op zijn gezicht te lezen, dat de heer Lobbes volkomen met hem instemde.
— Voor de leus moet ik nu weer Uw armen een beetje binden, mijnheer, zei hij verontschuldigend. De anderen mogen niet begrijpen dat wij het met elkaar eens zijn.
Na dat te hebben gedaan, sloop hij heen, zijn gevangene wijzend dat hij stil moest zijn. Oom Karei volgde hem.
— Hij deed eventjes raar, hé Watson? zei hij, zacht grinnikend.
— Joris Jochem, antwoordde zijn lange helper ernstig, jij bent