wil spreken. En als hij na tien minuten niet terug is, draag dan Uw broer op, hém achterna te gaan.
— Ik hoop, dat hun niets overkomt, mijnheer Joris Jochem, zei het meisje ongerust.
— Met mijn hoofd en mijn eer als detective sta ik borg voor hun veiligheid, antwoordde de onvermoeide man fier.
Joris Jochem kroop nu den kolenkelder weer binnen en liet, met zegevierend gebaar, zijn gevangenen de flesch chloroform zien.
— Opgepast, zei hij schertsend-dreigend, die het me té lastig maakt, moet slapen.
— Man, man, bedenk dat er gerechtigheid bestaat, waarschuwde Frits Waller, zachtzinnig.
Joris Jochem geraakte door die opmerking schijnbaar in hevigen toorn.
— Mijnheer! riep hij, nog één zoo’n beleediging enUbent een kind des chloroformslaaps!
— Pas maar op, dat ik jóu geen raren slaap bezorg, inbreker I dreigde mijnheer Lobbes.
Hij rukte aan de touwen die om zijn beenen zaten.
De detective keek Waller verontwaardigd aan, als had déze die woorden geuit.
— WatsonI gilde hij, en trok zijn zakdoek te voorschijn. Alleen de slapers zwijgen.
Meteen goot hij wat chloroform uit, wierp zich op den gebonden Waller en drukte de doek op zijn gezicht. De aangevallene worstelde hulpeloos, rochelde en gaf den weerstand op.
Nu stond Joris Jochem trotsch op en wendde zich met fier en bewust gebaar tot den heer Lobbes.
— Dét noemt men actief zijn, mijnheer, pochte hij. Opmerken,
samenvatten, oordeelen......