— Daar zit jij natuurlijk weer achter, ontsnapte idioot!
Frits Waller haalde tot antwoord de schouders op.
Hij was eerst een kwartier geleden beneden gekomen, om aan Lobbes’ deur te luisteren, en toen overvallen en naar den kelder gesleept. Aanvankelijk had hij gedacht, met een streek van Lobbes te doen te hebben, maar nu die zelf op de anthraciet werd gesmeten wist hij niet meer wit hij er van denken moest. Echter was hem Joris Jochem’s knipoogen niet ontgaan.
— Antwoord ! gebood mijnheer Lobbes dringender, hoewel minder luid, daar Joris Jochem met de revolver en een oude lap dreigde. Heb jij dit galgenbrok omgekocht om mij in mijn eigen kolenkelder te smijten ?
Frits Waller haalde opnieuw de schouders op.
— Als jij je van morgen rustig had laten démagnetiseeren, inplaats van dien roetmop op je eigen dak te sturen, zou je er nu vrij wat beter aan toe zijn geweest.
— Slaat het je wéér naar je hoofd? riep mijnheer Lobbes. Als ik hier levend vandaan kom, dan ga jij morgen naar professor Van Meekeren, zoo waar ik hier op de anthraciet zit.
— Ontken je, dat je gisteren met Vogel en mij naar mijn kamer bent gegaan en dat hij je gesuggereerd heeft dat je in April bent geboren ?
— Bén ik ook. Maar van je kamer en je Dr. Vogel weet ik niets af.
— Herman, wees niet eigenwijs. Laat je weer terug-magnetiseeren. Ik raad het je als vriend. Het is voor je bestwil.
— Zoodat je me dat kind kan aansmeren. Oók voor mijn bestwil, nietwaar ?
— Je eigen dochter, man I
— Mijn......?
Joris Jochem moest met de prop naderbij komen, want mijnheer
178