gemaakt, als wilde hij de deur uitsnellen, doch zich intijds bedwongen. In tegenstelling tot zijn vrouw, schenen die herrie en die kreet hem gerust te stellen. Er kroop nu zelfs een glimlach om zijn lippen, welke een vreemden indruk maakte op den professor. Maar dat overwoog hij niet; hij dacht slechts aan zijn detective Joris Jochem, die blijkbaar opnieuw aan het onderzoek was en hem door dat kabaal een teeken had willen geven.
— Voor vandaag weet ik genoeg, zei professor nu. U beiden verwacht ik morgen bij mij. Doch niet tegelijk, want dan komen we weer tot verwarring.
De heer Lobbes boog toestemmend en mevrouw belde opnieuw.
Maar het meisje kwam niet.
Toen liet de heer Lobbes professor uit.
— Wat is Uw meening? vroeg hij aan de deur.
— Een zeer ingewikkeld geval, antwoordde professor met gedempte stem. Dit wou ikU echter wel vragen : wees vriendelijk voor haar en geduldig met alUw huisgenooten. Ook met dat jonge meisje. Ook zij moet morgen bij mij komen, evenals Uw andere kinderen.
De heer Lobbes deed zachtjes de deur dicht en ging terug. Dan slaakte hij een kreet van verrassing. Dicht bij de keldertrap lag de bijl van Joris Jochem. Hij bukte zich en wilde haar grijpen. Op datzelfde oogenblik pakten twee handen hem beet en een derde stopte een prop in zijn mond. Zijn armen reeds in een strik gevangen voelend, schopte hij als eenigst verweer met kracht naar iemand op de trap. Een gedempte kreet was het antwoord, doch een tweede schop mislukte. Een touw snoerde zijn beide beenen vast aaneen.
Schrik en woede bevingen hem. Was dit slechts een episode in het drama van zijn huis? Of, beteekende die overval een nieuw incident?
Echter zei hem zijn verstand dat hij, voorloopig althans, had te berusten.
176