Oom Karei had nog nooit touwladders gegeten en was niet van plan het nu te doen. Maar toch gehoorzaamde hij, overtuigd dat Joris Jochem er iets mee voor had.
De detective hielp hem en maakte eenige strikken. Toen voelde hij naar zijn zakdoek en deze missend, stak hij een paar oude vodden bij zich, die in het hok lagen.
— Licht eens bij, Watson, gebood hij nu. Maar roerloos. Dit geheimslot komt mij niet onbekend voor.
Dat was geen grootspraak van den dikken detective, want Karei Lobbes had de kelderdeur slechts op het haakje gedaan. Dat wipte Joris Jochem op, door zijn mes tusschen den kier te steken.
Een flauwe schijn, van boven af, verlichtte den kelder. Eenige passen verder was een trap.
Joris Jochem trok zijn schoenen uit en beduidde oom Karei, dat hij dat ook moest doen. Daarna kroop hij op handen en voeten vooruit, keerde zich dan om en wees oom Karei, dat hij eenige touwen moest meenemen. Toen hij de trap had bereikt, wendde hij zich nog eens om.
Hij had zeer veel kolengruis meegesleept.
— Watson, zei hij fluisterend, wisch alle sporen, die ik achterlaat, zorgvuldig uit en raak niets met je handen aan.
— En mijn voetstappen, wie veegt daarvan de sporen uit? vroeg de oude man.
Joris Jochem drukte den linker wijsvinger tegen den neus.
— Die wisch je uit, als we terug komen. Laat je hart niet zoo bonzen en ga mee.
Ze kropen de trap op en, na omzichtig omzien van Joris Jochem, de gang door naar de keuken. De deur stond op een kier. Joris Jochem keek er door en zag Lena met den rug naar hem toe staan.
Hij keerde zich om naar oom Karei, die begeerig de etenslucht opsnoof en gaf hem fluisterend bevelen.