IN HET ONDERAARDSCH GEWELF
Toen FritsWaller enDr. Vogel bemerkten, dat Karei en Leo er met de auto vandoor waren gegaan, verdween hun geestdrift voor het bezoeken van professor Van Meekeren’s patiënten snel. Zij wandelden kalm een buitensingel langs en daar, op een bank gezeten, kreeg Wallet een helder oogenblik en een zéér schrander idee.
— Eerstens is het een dwaasheid van ons, dat wij dien professor zijn patiënten afloopen, begon hij. Hij rekent de visites aan, dus laat hij dan óók de menschen bezoeken.
— Volkomen waar, zei Dr. Vogel, in wien de wijn nog nawerkte, maar we zouden hem immers zoeken om zijn verstand te keuren.
— Dat is zoo. Maar iemand die elfhonderd menschen krankzinnig heeft verklaard, moet zelf al zóóver heen zijn, dat wij hem niet meer hoéven te keuren. De man is natuurlijk alleen nog maar geschikt voor krankzinnigen-conversatie.
Een ander geval, zei hij een oogenblik later, is ons onderzoek. Daar zit een gerechtelijke dwaling achter. Dat heb jij natuurlijk ook al ingezien, nietwaar Georg ?
— Zeker, dat héb ik ook. Maar vertel eens, wat jij eigenlijk bedoelt, zei Dr. Vogel leep.
— Nu, nét wat jij bedoelt. Wij behoeven niet te bewijzen, dat we niet krankzinnig zijn, maar de experts moeten aantoonen, dat we het wél zijn. En dat lukt hun niet.
— Hoezoo niet ?
— Wel, zoolang wij het ontkennen, kunnen zij het niet bewijzen.,
Dr. Vogel keek zijn vriend met omfloerste oogen bewonderend aan.
— Inderdaad, dét dacht ik ook.
164