verklaring onderteekenen, dat zij de heeren Waller en Vogel altijd hadden gekend in het volle bezit hunner geestvermogens. Frits Waller liet wat geld achter voor sigaren en chocolade en toen reden de heeren naar den winkelier, wiens pakhuis aan de fabriek van Lobbes grensde.
Hier bereikten ze het zelfde resultaat en daarna, bij den slager, insgelijks. Deze was zóó verstoord op den heer Lobbes, dat hij zich bereid verklaarde, niet slechts door honderd klanten te laten zweren dat de beide heeren bij hun volle verstand waren, maar tevens, dat er bij den heer Lobbes minstens één op hol was.
Dat resultaat zou hem eenige leverworsten en een paar pond vleesch-beenen kosten, maar die offers had hij er graag voor over, zei hij.
Frits Waller en Dr. Vogel bedankten hem voor zijn goede bedoelingen, doch zeiden dat er een groot misverstand plaats vond, bij den heer Lobbes. De slager en zijn knechts beaamden dat volmondig, maar Waller verklaarde toen, dat hij iets anders bedoelde dan zij. En toen vertrokken zij weer, wantrouwend nagemompeld door den slager.
Ze liepen een straatje om, gingen toen weer Lobbes' winkel door, regelrecht naar het kantoor. Ofschoon er op voorbereid, hem te ontmoeten, speet het hun niet, dat Lobbes afwezig was. Toen zij binnenkwamen, deed Kooymans alsof hij werkte, maar Karei keek de heeren met vermoeiden, geplaagden blik aan.
— Mijnheer Waller, is die onzin al opgelost? vroeg hij desniettemin, met hartelijke belangstelling in zijn stem.
— De grootste onzin moét nog worden opgelost, mijn jongen, zei
Waller. Maar voor ik je dat verder verklaar, moet ik eerst vertellen, dat we voorwaardelijk ontslagen zijn......
— Dat weet ik, dat weet ik! riep de jonge man in wanhoop. Enfin, mijn hulp en van al mijn vrienden staat tot Uw dienst. Eerder dan U en Dr. Vogel zoo ongelukkig te zien worden, zou ik tien valsche eeden zweren.
152