Dr. Vogel keek omzichtig om zich heen, bespeurde geen luisteraars, en bukte dan zijn hoofd naar Waller over.
— Zie eens hier, zei hij, voor mij ben je goed genoeg zooals je bent. Maar ik wil niet op de beslissing van professor Van Meekeren vooruit-loopen.
Frits Waller sperde verbaasd de oogen open.
— Georg, weet wél wat je zegt! riep hij met waarschuwende stem. Professor Van Meekeren moet jou, net zoo goed als mij, behandelen, en zijn methode kan wel zijn, ons omtrent elkaar uit te hooren. Als wij dus onvoorbereid naar hem toe gaan, verklaart hij ons even gemakkelijk krankzinnig als die elfhonderd vóór ons. Ten minste, als vóór onze komst een ander hém niet krankzinnig heeft verklaard.
— Waar wil je heen? vroeg Dr. Vogel. Zeg het ronduit, wij zijn immers vrienden.
— Dat docht mij óók. Welnu, mijn voorstel is kort. Laten we in alle opzichten samen werken en elkaar ter zijde staan. Eerstens zullen we beiden onder eede bezweren, dat wij bij elkaar nooit een symptoom van ontoerekenbaarheid hebben aangetroffen en tweedens zullen we gezamenlijk op zoek naar meerdere getuigen gaan. Vóór we een voldoend aantal tezamen hebben, gaan we niet naar professor Van Meekeren.
— Aangenomen, de hand er op, antwoordde Dr. Vogel kortweg.
De vrienden vertrokken en gingen eerst naar Van Duren.
Ze troffen den ingenieur echter niet aan en reden toen, op voorstel van Waller, naar het concurreerend technisch bureau.
Toen ze den directeur hun oneenigheid van dien ochtend met Lobbes en de gevolgen ervan mededeelden, verklaarde die zich bereid alles onder eede te bezweren, wat den heer Lobbes maar onaangenaam kon zijn. Hij liet zelfs zijn ingenieurs, opzichters, werklieden en typistes, ja de loopjongens en de schoonmaakster een beëedigde