te gaan, teneinde Joris Jochem wat meer tijd en gelegenheid te geven, voor zijn onderzoekingen. Om zich te verstrooien wandelde hij de hoofdstraten door, voorbij de bioscopen. En bij de gedachte dat zijn leven der laatste dagen wel iets van een film weg had, tuurde hij met belangstelling naar alle programs en illustraties.
Aanvankelijk hoopte hij een film te zien aangekondigd, die eenige overeenkomst vertoonde met zijn lotgevallen. Dan zou hij haar met de grootste belangstelling hebben gevolgd, om te kunnen oordeelen, hoe dergelijke gevallen zich oplossen en besluiten. Maar, na langdurige beschouwing kwam hij tot de conclusie dat niet één dier schreeuwend-gekleurde biljetten iets in beeld gaf, wat zijn ervaring, sinds hij terug was, zelfs maar nabij kwam. Toen trok hij minachtend den neus op voor dat geknoei en zijn gedachten dwaalden weer af naar hetgeen vermoedelijk nu in zijn huis plaats vond.
Hij nam, al wandelend, een verstandig besluit. Hij zou zich om niets, hoe vreemd dan ook, meer verbazen of opwinden, doch trachten, het onderzoek van Joris Jochem en professor Van Meekeren te steunen, om zoodoende weer rust en waardigheid in zijn leven te brengen.
Dicht bij zijn huis ging hem een oude, lange, magere man voorbij, met een opgevouwen touwladder onder den arm. Mijnheer Lobbes had oom Karei nog nooit gezien, doch de touwladder kwam hem bekend voor. Gedachtig aan zijn voornemen wandelde hij echter rustig door.
Toen struikelde hij bijna over een hoopje glasscherven. Oom Karei was bezig geweest die te verzamelen, toen hij mijnheer Lobbes zag naderen. Ofschoon hij den fabrikant niet kende, wilde hij, alleen om het feit, dat hij door déze straat liep, niet voor hem weten dat hij in de glasscherven belang stelde. Daarom was hij opgestaan en schijnbaar onverschillig doorgeloopen, toen mijnheer Lobbes naderbij kwam.
140