geraden? voer er door haar gedachten. Zou haar man inderdaad slechts een op Herman gelijkend vreemd persoon zijn geweest, die Lena had overgehaald, hem binnen te laten om haar huis leeg te rooven? Dan moesten, tijdens haar afwezigheid, zijn handlangers door de ruiten en balcondeuren naar binnen zijn geslopen. En dan was die plas bloed......
Nee, ze wilde niet denken, ze durfde niet weten, wiens bloed dat was. Haar arme, arme kinderen, Cora en Media.
Daar, nu had ze toch gedacht. In wanhoop sloeg ze de handen voor het gelaat en liep de straat uit, den hoek om.
Mevrouw Lobbes kwam eerst tot bezinning, toen ze voor een bekende banketbakkerij stond. Ze begreep dat ze zich bedwingen moest en zich vermannen, om de waarheid, hoe en wat die ook mocht zijn, onder de oogen te zien.
Dus drukte ze haar zakdoek tegen de oogen, alsof er een stofje ingewaaid was, liep snel den winkel door, zette zich in het salon, en bestelde op vasten toon koffie-verkeerd en gebakjes. Toen ze er een op had, voelde ze zich reeds flink genoeg om te telefoneeren.
Het eerst belde ze Frits Waller op. Het duurde een poosje voor ze gehoor kreeg. De huishoudster stond haar te woord.
— Is mijnheer Waller thuis? vroeg ze resoluut.
De stem der huishoudster trilde, als weende ze toen ze sprak.
— Nee, weetU het nog niet? Mijnheer is in den voormiddag gearresteerd, op het kantoor van Uw man.
Een zwarte wolk trok haar oogen langs.
— Waarom, waarom juffrouw? Zeg me dan toch waarvan hij beschuldigd wordt ?
— Van krankzinnigheid. Een politie-agent bracht me een briefje van hem. Hij schrijft, dat ik zijn vrienden moet verzoeken op zijn vrijlating aan te dringen, op grond dat die wel weten dat hij bij zijn volle
132