gedaan, dat U me uit mijn middagslaapje wakker trommelt ?
In een oogenblik was het publiek rustig. Men week zelfs iets terug, waardoor oom Karei meer vrijheid van beweging kreeg. Geen spier op Joris Jochem’s gelaat verried echter dat hij den ouden, gekwelden man kende.
— SchaamtU wat! zei hij, met allerliefste pruilstem. In plaats van dien armen,gewonden man te verbinden, gooitU mijn ruiten stuk en bombardeertU mijn deur.
Dat was een groote leugen, maar bereikte toch het beoogde doel. Want, de meeste menschen waren slechts van zins geweest de familie tegen eventueel binnengedrongen inbrekers te verdedigen. Nu echter de gewaande mevrouw Lobbes hen beschuldigde van molest, wendden ze zich, beleedigd, af. Ze riepen luid, dat dit de laatste keer was, dat ze iemand hun hulp zouden aanbieden en liepen de een na den ander door, met achterlaten van oom Karei.
Deze was dus weldra alleen over.
Hij had zijn chef herkend, maar zich wel gewacht, daarvan blijk te geven. Doch, innerlijk groeide zijn bewondering voor den detective tot vergoding aan en dankte hij hem in stilte vele malen voor de tijdige hulp.
Toen het weer rustig was in de straat, wenkte een dienstmeisje van een huis aan den overkant oom Karei, dat hij bij haar moest komen. Het was den eersten keer, dat hij haar zag, maar hij weifelde niet, aan haar uitnoodiging gevolg te geven. Een innerlijke stem zei hem, dat, na al die vijanden, zij allicht een vriend kon zijn, misschien wel een van die machtige bondgenooten, waarop Joris Jochem zoo dikwijls zinspeelde. Echter vergat hij niet, den touwladder mee te nemen.
Het meisje, dat medelijden met hem had, waschte en bepleisterde niet slechts zijn gezicht, maar gaf hem buitendien een glas warme melk en boterhammen. Uit dank daarvoor zei hij haar wie hij en
127