ze haar den nap aan den mond en goot haar de melk bij kleine teugen in de keel. Nu zonk de jonge vrouw weer achterover, als uitgeput.
»Haar mond noemt niet haar vaders naam en toch weet ze zijn dood,« fluisterde een der vrouwen.
»Nee, helaas,« antwoordde Mirjam bedroefd.
«Waarom helaas ?« vroeg de praatster.
De wijze vrouw schudde het hoofd als om haar tot zwijgen te manen. Zij wist veel, de wijze Mirjam, doch véél was er waartegen haar hulp geen baat gat. En dat bedroefde haar. Debora’s pijn scheen verminderd te zijn na den laatsten aanval. Ze lag nu achterover, stil kreunend — en de vrouwen wachtten af.
Een half uur ging voorbij ... een uur. De vrouwen spraken niet.
Sara dacht aan haar man, die door een ongeluk was gedood, aan haar oudsten zoon, die nu wellicht Israël’s grootsten vijand bestreed en aan zijn vrouw, die nu in pijnen nederlag. De vrouwen die met haar waren, hadden man, zoon of broeder zien ten krijge trekken en door Debora’s kreten waren die haar nu voor den geest ge# spiegeld, in vreeselijken toestand van dood# of verminkt# zijn.
Mirjam had tooneelen als dit, reeds vele malen bijge# woona. Van heinde en ver was men haar dikwijls komen halen om hulp en vertroosting te brengen. Toch, lieten Debora’s kreten die doelden op Israël’s krijg haar niet ongeroerd, maar ze troffen haar anders dan de vrouwen. Zij had veel, heel veel gedacht in haar verre woning, waar zij alleen vertoefde, en vele leerstellingen van Mozes’ leer waren bij haar niet zonder critiek gebleven. Na lang# durige studie was zij Palestina’s verovering in een heel ander licht gaan beschouwen dan zij haar langen tijd in had gezien en zij wist nu dat de strijd, dien Israël voerde niet voor den dag van heden, doch voor eeuwig zou zijn. Daarom, hoe verblijdend een overwinning van haar volk haar ook zou stemmen, voelde ze wel dat met zoo eene
75