Een luid geklop met den hamer, vroeg plots om stilte. Men rukte den jongen uit Nelis’ handen en duwde den laatste in een hoek, waar hij aanstonds in slaap viel. Een zware vent zette zich op hem, bij gebrek aan een stoel.
— Sitte — sitte goan! joelde door de zaal.
Op het podium zaten enkele bestuurders, waaronder Leendert Mol. Landers was niet aanwezig.
Mol hield een korte toespraak, met vaste, opgewekte stem. Hij wees er op dat de bijeenkomst terecht een vroolijk en opgeruimd karakter droeg, wijl er alle hoop bestond dat dezen middag, het eind van de staking zou brengen.
In patroonskringen, zoo ging hij verder, was men gaan inzien dat de werklieden liever ten onder zouden gaan dan den strijd op te heffen zonder overwinning. Doch ook waren daar stemmen opgegaan, ten gunste van nieuwe, betere arbeidsvoorwaarden, waaronder in de eerste plaats, hooger loon. Als plaatsvervangend voorzitter achtte hij het zijn plicht, reeds nu naar waarheid mede te deelen, dat in hoofdzaak patroon Hooglandt den stoot had gegeven tot deze nieuwe opvatting en dat het uitsluitend aan hem te danken was, dat er nu beraadslaagd werd, tusschen de bestuurders van weerszijden, over het spoedig beëindigen der staking.
Deze woorden lokten een gejubel uit, dat nog luider klonk, toen Leendert Mol aan zijn woorden toevoegde, dat men elk oogenblik Landers en Ranschoen met de goede tijding kon verwachten.
De pianist deed aanstonds fanfares schetteren door de zaal, een soort van jubel-hymne zonder begin of eind, iets dat allen bekend in de ooren klonk, doch waar niemand woorden op wist te zingen. Een groepje veelbelovende
173