jongens probeerden er een populair buurtliedje op te zingen, doch telkens kwamen maat en rythme in het gedrang. Ten slotte stoorden zij zich niet meer aan de muziek en hieven ze uit volle borst hun geliefden zang aan:
Me sain niet bang Me sain niet ba-ang Noch fóur die prinsemerai Binne me bang.
Daar daverde een luid applaus door de zaal, spontaan begonnen, dat weldra in een waren jubel-storm ontaardde. Op het podium waren Landers en Ranschoen verschenen, beiden netjes uitgedoscht. Ze keken zoo blij en tevreden de zaal in, dat de mannen voelden, dat het moment van vervulling was aangebroken. Landers hield een beschreven vel papier in de hand, dat hij de vergadering als het ware triomphantelijk voorhield, waarna hij het dan als een kostbaar document voorzichtig op tafel legde en gladstreek.
Het gejubel was niet direct tot bedaren te brengen.
— Ha die Landers — ha die Joupie, schalde één luid op en verheugd vielen allen hem bij:
— Ha die Landers! Ha die Joupie!
— Mannen, kon Landers zich eindelijk verstaanbaar maken, het bestuur vindt het pleizierig, dat jelui in zoon opgewekte stemming verkeert, maar acht het toch niet onnoodig mede te deelen, wat de ware oorzaak moet zijn van jelui vroolijkheid.
— Fr uit d’r mei!
— Ha die Landers!
— Hou je smoel nou dicht, speinfarke.
— Mol heeft de vergadering al eenigszins ingelicht, dus 174