geloopen, neuriede nu tusschen de tanden, als was het zaterdagavond en zat hij na volbrachte weektaak, gezellig in zijn stamkroeg bij een borrel.
Alle bekenden en half-bekenden van de onderscheidene ploegen, die onafhankelijk van elkaar hadden gewerkt, ontmoetten elkaar nu weer. Er waren er onder de nachtploeg, die dagen en weken aaneen hun makkers van een der dagploegen niet hadden gezien en ze begroetten hen nu met een luiden roep, sommigen met een fermen handdruk, allen met een lach om den mond. Velen wisten niet of ze wel reden tot lachen hadden, niemand wist zeker van wel, maar toch waren zij blij. Het scheen datde mooie ochtend in het heel vroege voorjaar al een glimp van lente had gebracht in de zaal en in de harten der mannen.
Van de groote rondploeg miste haast niemand. Janus Klapper zonder neus liep in zijn eentje te mopperen en scheen niet te voelen dat dozijnen proppen op zijn bult waren gemunt.
Om Jan-komiek verdrongen zich diens kornuiten, als kinderen om een zak met pepernooten en proestten af en toe van het lachen om moppen die deze schijnbaar op afwezigen tapte maar die in waarheid grootendeels op Jan-de-bult sloegen.
Van de antiquiteiten ontbrak niet één. Dooie-Hein en Klaas-sterf-me-af waren reeds lang, wegens gebrek aan bewijzen, op vrije voeten gesteld en drentelden nu volhardend om ouwe Kees en Frans-pruimtabak heen, welke beiden als gewoonlijk in de war waren, wie van hen den laatsten gemeenschappelijken borrel had betaald. Frans haalde voorbeelden en bewijzen bij dozijnen aan, maar kon ze niet goed op hun plaats brengen en haspelde ze danig dooreen.
169