neer ging loopen, maar in de puntjes uitgedoscht, de deur was ingegaan en door hem op kantoor was ontvangen. Hem had hij later tot aan de straat uitgeleide gedaan en daar vriendelijk afscheid van hem genomen, onder het aanbieden van een sigaar. De winkelier aan de overzijde had het hoofd geschud over zulk een verregaande onbezonnenheid.
Dien middag was hij met zijn oudste dochter gaan wandelen, een vaderlijke oplettendheid, die hij jaren lang had verwaarloosd. En — het was hen opgevallen, hoeveel punten van overeenstemming er wel bestonden in beider gedachten en gevoelens.
Maar het sterkst en meest onverwacht had hij dien avond zijn medeleden der patroonsvereeniging verbaasd. Direct na de opening der, door hem aangevraagde spoedvergadering, had hij het woord verzocht en verkregen en een gloedvolle redevoering afgestoken, die zijn hoorders tot tranen toe had bewogen. Daarin had hij den nood der stakersgezinnen geschetst, de vreeselijke koude die zij met geen brandstoffen konden beteugelen, de verkleumde handjes en vermagerde gezichtjes der arme onschuldige kinderen en het wreed verdriet der tobbende vrouwen. Het kan zijn, had hij beweerd, dat er iets onredelijks lag in de eischen der stakers en dat zij niet altijd de juiste middelen hadden toegepast, om de gegrondheid en de rechtvaardigdheid daarvan aan te toonen, maar, had hij in edel pathos uitgeroepen, moest de dappere weerstand dier halfverhongerde strijders zelfs niet den eerbied afdwingen van de patroons, hun tegenstanders? Neen, zij mochten niet langer het conflict rekken, het had lang genoeg geduimd en, zou zelfs de billijkheid de verhooging der loonen niet noodzakelijk noemen, dan toch 166