— Voorwaarts marsch, commandeerde Landers militair.
— Halt — gein ein dour! was het antwoord van den bevelvoerenden brigadier.
Een luid spottend gelach steeg op uit de meer dan honderd man tellende ploeg. Men schoof als het ware de brigade opzij de.
De brandweer was nu ter plaatse en ontrolde slangen. Het belgeluid lokte meer en meer publiek. De politie had het volhandig met ruimte te maken voor de spuitgasten en hun reddingswerk.
De stakers hadden nog een kwaad oogenblik, toen ze stuitten op een groote afdeeling politie, die in gestrekten pas den hoek omjoeg. Het werd stompen en slaan, dringen en vluchten. De politie kon geen onderscheid zien tusschen stakers en toeschouwers en ranselde plotseling met grooten ijver op onschuldige straatbewoners in. Verwijten en protesten stegen op, men verweerde zich; de wijk-commissaris deed zonder mededoogen een aantal van de meest rustige burgers inrekenen. Eenige stakers stonden met grooten ernst de agenten bij en kregen een pluimpje voor hun ordelievend gedrag. —
Na een kwartier te hebben omgeloopen kwamen Landers en Joop terug, beiden genoegelijk wandelend en een sigaar tusschen de lippen. Zij boden een politie-man een sigaar aan en vroegen hem inlichtingen.
— Lammetje-Sondag met z’n kornuite of ander volk — zei deze gewichtig. Maar de belhamels hebben we tenminste.
— Gelukkig — dat is maar goed ook, zei Landers verheugd. Zouden we niet even de afsluiting mogen passeeren om een brief in de bus van het huis daarnaast te gooien ?
— Het mag niet — het spijt me.
163